Home  
|
  Welkom  
|
  Route  |  Reisverslag  |  Foto's  
|
  Film  
|
  Info  
|
  Contact
 
Peru  |  Bolivia  |  Argentinië  |  Chili  
|
  Paaseiland  
|
  Chili

Paaseiland


16 oktober Santiago de Chile - Paaseiland
17 oktober Paaseiland: sightseeing
18 oktober Paaseiland: sightseeing
19 oktober Paaseiland: sightseeing
20 oktober Paaseiland: sightseeing
21 oktober Paaseiland - Santiago de Chile



Vrijdag 16 oktober


Paaseiland!

Vandaag is het dan eindelijk zover. Na een vlucht van 5 uur en alleen maar zee en wolken gezien te hebben landen we op een landingsbaan die van kust tot kust loopt op een eilandje ter grootte van Texel; Paaseiland, ook wel Rapa Nui genoemd, beroemd om de beelden;

Paaseiland, een eiland met een mysterieuze historie. 4000 km van het vasteland van Chili, 4300 km van Frans Polynesië. Paaseiland is dan ook het meest geïsoleerde bewoonde eiland ter wereld. De geschiedenis van Paaseiland is vrij onduidelijk, maar er bestaan een aantal theorieën over hoe en wanneer de eerste mensen voet zetten op dit geheimzinnige eiland.

Aangezien de lokale taal, het Rapanui, zeer verwant is met het Polynesisch wordt er vanuit gegaan dat het de Polynesiërs waren die hun oogverblindende witte bountystranden, de heldere turkooise zee, de schitterende koraalriffen en het geweldige klimaat opeens beu waren, een kano instapten en begonnen te peddelen op zoek naar iets anders. Ruim 3 maanden peddelen later bereikten zij Paaseiland.

Destijds was Paaseiland een mooi bebost eiland vol met tropische palmbomen. Maar het is een erg klein eiland en veel dieren kwamen er ook niet voor. En daar zit je dan op een eiland in de Grote Oceaan onder een van de zovelen palmbomen met een visje en een kokosnoot. En dat iedere dag weer. Tja, wat doe je dan? Je vervelen. Gelukkig hadden de vindingrijke Polynesiërs hier 2 tijdverdrijvende dingen op gevonden; zorgen voor nageslacht en beelden maken.

Deze beelden (moai’s) zijn uit vulkanisch gesteente gehakt, ze zijn tot 21 meter hoog en ze staan aan de kust, de meesten met het gezicht landinwaarts om de bevolking te beschermen. Het is onduidelijk hoe de tonnen wegende beelden verplaatst zijn – hier zijn ook verschillende theorieën over – maar vermoedelijk werd er gebruikt gemaakt van boomstammen, spierkracht en touwen. De moai’s zijn voorstellingen van voorouders die de inwoners van Paaseiland moeten beschermen tegen kwade invloeden van buitenaf. Tevens smeken ze om vruchtbaarheid; voortplanting was op een extreem geïsoleerd eiland als Paaseiland van cruciaal belang om te overleven. En zo geschiedde. De Polynesiërs maakten van hun hobby een levenstaak en zie hier het resultaat; van enkele tientallen mensen groeide de bevolking van Paaseiland naar zo’n 20.000 mensen. 20.000 mensen op een eiland ter grootte van Texel. Dat vraagt om problemen. Alles op het eiland raakte op. En daar komt ruzie van. Verschillende stammen begonnen elkaar enthousiast de kop in te hakken en de beelden om te kieperen. Een kaal eiland en een flink uitgedunde bevolking was alles wat over bleef.

En zo trof Hollander Jacob Roggeveen op een paaszondag – vandaar de naam Paaseiland – in 1722 Paaseiland aan. Een primitieve samenleving van zo’n 3000 mensen, levend in armoedige rieten hutten of grotten, die bijna voortdurend oorlog voerden en zelfs kannibalisme bedreven in een wanhopige poging om de armzalige voedselvoorziening een beetje aan te vullen.

Tegenwoordig is toerisme de voornaamste bron van inkomsten op Paaseiland. De unieke reusachtige beelden hebben gelukkig de tand des tijds doorstaan. Zo ook het eiland zelf. Er zijn weer wat bomen terug geplaatst en sommige fruitsoorten en groenten worden verbouwd.

En dat gaan wij dus de komende dagen met eigen ogen aanschouwen. In de aankomsthal van het kleine vliegveldje krijgen we volgens goed Polynesisch gebruik een bloemenkrans omgehangen. De korte rieten rokjes en bikini’s van kokosnoten moeten we er helaas zelf bij verzinnen. En ook het subtropische weer laat verstek gaan. Alhoewel; wind, regen, broeierige hitte… Toch verdacht veel kenmerken van een subtropische regenbui.

We worden opgewacht door Roger, de eigenaar van hostel Mihinoa, die ons naar ons hostel brengt voor de komende 5 nachten. We worden hartelijk ontvangen en onze kamer blijkt een aangename verrassing! We hebben een fijne ruime kamer en badkamer en dat terwijl we voor zo ongeveer het goedkoopste hostel van Paaseiland hebben gekozen. Want Paaseiland is duur. Erg duur. Natuurlijk wel te begrijpen als je nagaat dat bijna al het voedsel van het vasteland ingevoerd moet worden. Een vreemd idee ook eigenlijk dat de dichtstbijzijnde fatsoenlijke winkel of het dichtstbijzijnde fatsoenlijke ziekenhuis op 4000 km afstand en 5 uur vliegen liggen...

De ligging van ons hostel is schitterend, direct aan zee, maar het ligt wel zo’n 20 minuten lopen van het enige dorpje, Hanga Roa, dat het eiland rijk is. En het regent, het regent onnoemelijk hard. Het hele terrein staat onder water, maar we willen toch wel graag iets gaan eten. Als het even een momentje droog is gaan we op pad. Slecht bedacht. Met dank aan Martijn. We zijn amper 5 minuten aan het lopen langs de kust en de hel barst weer los. Binnen luttele seconden loopt er een tsunami over mijn hoofd, is mijn broek doorweekt en soppen mijn sokken uit mijn schoenen. Jeuh. Gelukkig stopt daar een aardige Paaslander die – of het nog nut heeft is de vraag – plaats heeft voor twee verzopen katten en die ons een lift naar het centrum geeft.

Het centrum is klein, maar het is verbazingwekkend hoeveel honden er rondlopen. De honden blijken hier bovendien ook heel wat assertiever dan dat we tot op heden gewend zijn. Er hoeven maar ergens in de verte mensen te lopen en ze stormen er met zijn allen direct op af in de hoop iets lekkers te krijgen. En dan zijn het ook grotendeels van het soort imposante ‘diknekken’ – uitzonderingen daargelaten – waar menig persoon het liefst met een grote boog omheen zou lopen. Als je angst hebt voor honden dan is dit geen goede plek om te vertoeven.

Na het eten – voor de verandering weer eens niet lekker – lopen we in de stromende regen en door wegspoelende modderstraten terug naar ons hostel. Er blijkt toevallig net nu wij er zijn een storm te zijn die nog een paar dagen zal aanhouden. HOE toevallig. Dodelijk chagerijnig (waarom wij?) stap ik snel door. Mijn zeiknatte broek is veranderd in korrel-40-schuurpapier, de Grote Oceaan bevindt zich momenteel in mijn schoenen en het enige dat we nog missen is onweer, maar die tover ik dan ook zo op mijn gezicht. No problemo. Ik vind er geen fl*kker aan.

Totdat ik in een paar mooie smekende ogen kijk.

Een harig schepsel met 4 poten en een staart. Een kwispelende staart. EEN HOND. En tja, laat Lonneke nooit in een paar bedelende hondenogen kijken want dan is ze verkocht; hond voor, hond achter, hond links, hond rechts. En alle ellende is vergeten. “Goh, regent het? Ach, dat beetje water.” Gelukkig heb ik nog ergens een – inmiddels zompig geworden – hondenkoekje in mijn zak en geef het aan de hond die het dankbaar op eet.

En ja, het was te verwachten. De viervoeter blijft met ons meelopen, maar helaas heb ik geen brokjes meer. We duiken de eerste de beste winkel in, maar hondenbrokken hebben ze niet. Wat ze wel hebben, en dat zal onze harige vriend vast niet erg vinden, zijn worsten. We kopen een zakje met een aantal worsten en zodra we een worstje uit de verpakking halen worden zijn ogen 2 keer zo groot en weet hij niet waar hij het moet zoeken van ongeduld. Kwispelend wordt het worstje opgesmikkeld en vanaf dat moment hebben we er een vriendschap voor het leven bij.

Wij wel. Dat kan je niet zeggen van de andere mensen die voorbij komen lopen. Telkens als er iemand voorbij loopt, trekt onze viervoeter zijn lip omhoog, laat zijn scherpe tanden zien, gromt vervaarlijk en stormt al blaffend en grommend op de nietsvermoedende voorbijganger af, die de schrik van zijn leven kijgt. Martijn en ik staan vol verbazing naar ons lieve hondje te kijken, die met zijn bruine smekende ogen en kwispelende staart ineens in een woeste, dolle en gevaarlijk uitziend beest is veranderd. Uh…

Vervolgens komt ons maatje weer even vriendelijk als voorheen naar ons toe, kwispelt en loopt op 10 cm afstand langszij keurig met ons mee, als zijnde de liefste hond van de wereld. En dit tafereel herhaalt zich dan nog een aantal keren. Tja. Slimme hond. Er zijn nl. worsten. Overheerlijke worsten. Worsten waar je – ik zie het hem denken – zo een moord voor zou doen. Letterlijk. En die ontzettend lekkere worsten moeten natuurlijk beschermd worden, evenals de personen die die ontzettend lekkere worsten in bezit hebben. Want stel je voor dat al die losgeslagen gevaarlijke criminele voorbijgangers het allemaal op onze – en zijn – worstjes het hebben voorzien…

We worden dan ook helemaal vergezeld tot aan de entree van ons hostel waar we ons ontdoen van het laatste worstje en waar onze wegen uiteindelijk scheiden.


Zaterdag 17 oktober


Rondje eiland... in de regen

Een landschapsshock, daar begeven we ons momenteel in. Na de droogte van de Atacama-woestijn waar alles doordrongen was van stof, vallen we in het andere uiterste; nattigheid! En hoe. De tropische storm viert vandaag haar feestje en wij zijn duidelijk niet uitgenodigd. Maar vandaag houdt niets of niemand ons binnen, tropische storm of niet.

Er zijn een aantal mogelijkheden om het eiland te verkennen; te paard, te voet, per quad, per fiets of per jeep, waarbij de jeep in verhouding vreemd genoeg het goedkoopste vervoermiddel blijkt te zijn. Tel daarbij de met-bakken-uit-de-hemel-vallende regen en storm op en onze keuze is snel gemaakt.

Een mooie witte Suzuki Jimny, Martijn is helemaal in zijn element. Deze allercharmanste blokkendoos op wielen is dan wel voorzien van vierwielaandrijving, een echte 4 x 4 dus. Een echte off-road-mini. Met onze benen nog net niet dubbel gevouwen rijden we Hanga Roa uit. Zonder verzekering, want daar doen ze hier op Paaseiland niet aan.

Een rondje eiland. Die 4 x 4 blijkt geen overbodige luxe, de wegen zijn al snel erg slecht en zitten vol diepe gaten die we soms maar moeilijk kunnen ontwijken. Her en der liggen vormloze hompen grijze steen die een moai zouden kunnen zijn en dan plotseling staan we bij Ahu Tongariki. Ahu Tongariki is het pronkstuk van het eiland; een ahu (platform) met vijftien reusachtige beelden op een rij. Het is begin jaren negentig gerestaureerd door Japanners nadat de ahu in 1960 werd verwoest door een vijftien meter hoge tsunami. De 15 moai’s zijn erg indrukwekkend, maar het regent nog steeds pijpenstelen dus we rijden maar weer snel door.

Onze volgende bestemming is Anakena Beach, een mooi bountystrandje met wit zand en door palmen met kokosnoten omgeven. Een rijtje van zeven moai’s, waarvan 4 met een rode ‘hoed’ maken het plaatje af. Een idyllisch plekje, ware het niet dat dat ‘idyllische’ vandaag erg ver te zoeken is. Het stormt, de regen heeft het halve strand weggespoeld – er zijn diepe geulen ontstaan – en de kokosnoten vallen je om de oren. Geen leuke plek om nu te vertoeven en dus druipen we maar weer af in de hoop dat het de komende dagen beter zal zijn.

We verruilen de slechte verharde wegen voor nóg slechtere onverharde wegen, dit komt ongetwijfeld door al die regen. De wegen zijn half weggespoeld, bevatten diepe geulen en regelmatig moeten we ons een weg banen door een vieze modderpartij; een smeuige mix van chocoladepasta en pindakaas en dan een halve meter diep. Yak. We kiezen al glibberend de weg van de minste weerstand – al een LOI-cursus op zich – en Martijn bevindt zich al weer in hogere sferen. In gedachten maakt hij waarschijnlijk al plannen voor de Zwarte Cross en ondertussen test hij bij welke snelheid de grootste waterverplaatsing ontstaat en bij welke manoeuvre de modderspetters het hoogst tegen de auto opspatten. Jottum.

Ik, daarentegen, zit me schrap te zetten tegen het gezwier en de capriolen die Martijn uithaalt. Ik vraag me af wat we hier in hemelsnaam doen. En of Martijn niet eens een rustigere hobby kan beoefenen. Suikerklontjes decoreren ofzo.

Dat wij niet de enigen zijn die zich op glad terrein begeven zien we even later als we aangehouden worden door twee Spaanstalige jongens die met hun Suzuki Vitara vast zitten. Ze staan met hun blote voeten tot over hun enkels in de drek. Of we even kunnen helpen. Túúrlijk. Wij trekken met onze stoere Jimny er wel even een Vitaraatje uit. Martijn vraagt of ze de wielen wel gelocked hebben, maar de jongens hebben geen idee... Tja, 4 x 4 rijden is ook een vak apart. Gelukkig komt er nog een auto aan met een Paaseilander die een sleepkabel heeft. We maken de kabel vast aan de Vitara en aan onze Jimny en het getouwtrek kan beginnen. De Jimny schreeuwt en brult, balt al zijn spieren en spuit enthousiast bruine spetters modder de lucht in… De Vitara blijkt echter helemaal vastgezogen te zijn in de modder en er komt maar weinig beweging in. Dan haalt onze Jimny nog één keer diep adem, zet zijn wielen schrap (Martijn locked de wielen) en laat van zich horen (Martijn trapt het gaspedaal in) en wonder boven wonder komt er zowaar beweging in de Vitara. Beetje bij beetje komt de Vitara los en onze Jimny trekt hem uiteindelijk – tot grote vreugde van de jongens – op vastere bodem. Wie had dat gedacht.

Na enige tijd glibberen, soppen en glijden komen we bij Ahu Akivi. Een ahu met 7 moai’s. Het bijzondere aan deze maoi’s is dat ze met het gezicht naar zee zijn gericht, in tegenstelling tot de andere moai’s die allemaal landinwaarts kijken. De beelden kijken naar het punt waar de zon ondergaat, maar de betekenis hiervan is niet bekend. We glibberen en glijden te voet naar de moai’s.

Een ‘ahu’ is heilige grond en mag niet worden betreden. In mijn onschuld denk ik eerst nog dat dit alleen voor het verhoogde gedeelte waarop de beelden staan geldt, maar de stenen eromheen behoren ook tot de ahu en zijn dus ook verboden terrein. Een parkwachter fluit me dan ook meteen terug als ik dreig te dicht in de buurt van de ahu te komen. Het blijft bij een waarschuwing, de volgende keer zal er ongetwijfeld een rode kaart worden getrokken.

De volgende ahu die we willen gaan bezichtigen is Ahu Tepeu. En dus vervolgen we de glibberweg. Totdat we bij water komen, veel water. Heel de weg staat zover we kunnen kijken volledig onder water. Dit lijkt mij eigenlijk toch niet zo’n goed idee. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik stiekem naar Martijn of hij zijn brede off-road-grijns weer heeft opgezet, maar zijn mond blijft zich op z’n moai’s angstvallig in een serieuze, onbeweeglijke horizontale lijn bevinden. Zijn hersenen daarentegen hoor ik bijna kraken. Nee hè, toch niet weer die ik-denk-dat-we-het-wel-kunnen-proberen-modus... En dus Martijn; “Ik denk... dat het beter is om terug te gaan.” Pfieuw. Gelukkig twee zielen, één gedachte voor de verandering. En dus keren we om.

Vervolgens rijden we terug naar ons hostel en ’s avonds belanden we bij restaurant Kona Nehe Nehe, op aanraden van onze reisbijbel. We leren het dus nooit. Laten we het erop houden dat mijn complete kip in een paar hondenmagen beland is.


Zondag 18 oktober


Rondje eiland... in de regen 2

Vandaag is eigenlijk een complete herhaling van gisteren. We rijden een rondje over het eiland, het stormt, regent en waait nog net zo hard, de wegen zijn nog net even wat slechter geworden en wij balen nog steeds. Same, same.

Maar... één ding is toch echt overduidelijk anders, in positieve zin. We hebben ons restaurantje gevonden; Au bout du Monde. Au bout du Monde met de overheerlijke gamba’s.

Het moge duidelijk zijn dat de hondjes het vandaag met een hondenkoekje moeten doen.


Maandag 19 oktober


Rondje eiland... in de regen 3?

Ik val wederom in herhaling. Het weer valt in herhaling; wind, regen, bewolking. We beginnen er nu echt genoeg van te krijgen, maar vol goede moed gaan we toch maar weer op pad met onze Jimny. We hebben inmiddels alle moai’s wel gezien, maar geen enkele keer zonder regen, storm en grauwe luchten.

We zoeken dan ook maar een plekje op bij Ahu Tongariki, de 15 moai’s, en wachten in de auto. Wachten waarop? Tja, op mooi weer. En dus kunnen we lang wachten. In de auto blijven zitten gaat echter ook nogal snel vervelen en we rijden dan maar naar Rano Raraku, een van de drie grote vulkaankraters van het eiland. Rano Raraku was in het verleden een gigantische moai-steenhouwerij, een echte moai-fabriek waar de moai’s werden gehakt uit de vulkaanwand. Op de kale bergwand staan, hangen en liggen 397 moai’s in verschillende stadia van afwerking. We lopen tussen de liggende, staande en hangende moai’s door, erg bizar eigenlijk. En indrukwekkend. Wat nog indrukwekkender is, is de stortvloed aan regen die ineens op ons neer daalt! De hel in de hemel is nu echt losgebarsten en binnen 2 tellen zijn we nat tot op het bot... En bedankt.

Na 756 tellen houdt het dan ook weer ineens op. En ik wrijf eens goed in mijn ogen, want zowaar zie ik daar toch echt een inimini stukje blauw in de lucht! En dat inimini stukje blauw wordt een stukje blauw. En dat stukje blauw wordt een stuk blauw! Joehoe, voor het eerst zien we op Paaseiland iets anders dan grijs... En ja, de zon lijkt het ook te gaan winnen van de wolken... CRISIS!

Een hachelijke situatie volgt. We rennen van hot naar haar, van moai naar moai en van voor naar achter. Snel schieten we lukraak wat plaatjes met blauwe plekken in de lucht, want voor je het weet trekt het weer helemaal dicht. We rennen de vulkaan op, waarin een meertje ligt. Aan de rand van het meer nog meer moai’s, maar we kunnen er de tijd niet voor nemen om ze van dichtbij te bekijken. We moeten nl. nog terug naar Ahu Tongariki, Anakena, Ahu Akivi, Rano Kau… help!

Had ik al gezegd hoe mooi Paaseiland is in de zon en met een beetje blauw in de lucht? Nee? Nou, WAANZINNIG...

Elke vezel in mijn lijf staat dan ook strak van de adrenaline, het bloed raast door mijn aderen en stijgt door al het geren vooral door naar mijn hoofd. Martijn racet over de glibberwegen zoals hij nog nooit gedaan heeft en ik moedig hem – heel verassend – alleen maar aan. Want we hebben haast. “Go, go, go, mas rapido!” Wat een beetje zon al niet met je kan doen.

In een paar uur tijd werken we het hele rijtje af en we eindigen bij Rano Kau, een grote vulkaankrater waarvan we vanwege de laaghangende bewolking nog nooit iets gezien hadden. De krater is 1500 m in doorsnee en is gevuld met water, mos en riet. Het ziet er erg mooi uit.

’s Avonds rijden we naar Ahu Ko Te Riku voor een foto van een moai tegen de ondergaande zon. En hoe spectaculair deze zonsondergang is valt maar moeilijk te beschrijven. Het is niet helemaal helder, er zijn nog steeds wolken in de lucht, maar de lucht kleurt geel, oranje, rood, dieprood, paars en blauw. We hebben inmiddels best wel wat mooie zonsondergangen gezien, maar deze is met stip de mooiste! Werkelijk adembenemend. MAGISCH.


Dinsdag 20 oktober


Rondje eiland... met af en toe zon!

Tja, je moet er wat voor over hebben. Het is 5.30 uur en we zijn op pad naar Ahu Tongariki, de 15 moai’s op een rijtje. Na de spectaculaire zonsondergang van gisteren hebben we de smaak te pakken gekregen en dus hopen we nu een schitterende zonsopkomst mee te maken. Het is droog en het is de laatste dag dat we de auto hebben, dus het is nu of nooit.

Veel te vroeg komen we aan bij Ahu Tongariki, maar het is bewolkt. We hopen nog even dat de bewolking open trekt, maar helaas schuift de zon haar gordijntje niet opzij. Jammer, maar niets aan te doen. We rijden terug naar Hanga Roa, nemen op ons gemak een ontbijtje en rijden door de straatjes van Hanga Roa. En dat hadden we beter niet kunnen doen.

Langs de kant van de weg zien we ineens een dode hond liggen die blijkbaar aangereden is – heb ik weer. Dat de hond aangereden is, is al akelig genoeg, maar nóg hartverscheurender is het feit dat er een aantal honden – waarschijnlijk zijn maatjes – beschermend om hem heen zijn gaan staan en treurig naast hem zijn gaan liggen. Heel triest. Het raakt me enorm en het beeld laat me de rest van de dag niet meer los...

We snellen Hanga Roa met de vele honden dan ook maar gauw uit en aangezien het ook vandaag redelijk weer is (lees: bewolking, af en toe zon, af en toe een bui, nog steeds erg veel wind), doen we het rondje Paaseiland voor de verandering nog maar eens. Gelukkig nu op een rustiger tempo dan gisteren, we hebben immers al wat foto’s met blauwe lucht en zon kunnen schieten. Toch jammer, we hebben de afgelopen dagen alleen maar rondgereden op zoek naar beter weer, en we hadden nog zoveel plannen. We hadden een paar flinke wandelingen willen maken, misschien zelfs wel een paard willen huren om de omgeving te verkennen, maar helaas zat dat er niet in voor ons.

Aan het einde van de dag leveren we onze witte Jimny – inmiddels volledig bruin geworden – weer in. Met de blubber tot op het dak heeft onze blokkendoos op wielen toch aardig wat respect af weten te dwingen.

’s Avonds lopen we naar Ahu Ko Te Riku in de hoop weer een mooie sunset mee te maken. Eenmaal bij Ahu Ko Te Riku vinden we de hond van ons hostel – een grote herder – hier ook. Hij is meegelopen met een paar Japanners die ook in ons hostel verblijven. Honden hebben hier blijkbaar niets beters te doen dan toeristen vergezellen, het liefst natuurlijk in ruil voor iets lekkers. En dachten wij in eerste instantie nog dat het om zwerfhonden ging, waarschijnlijk hebben de meeste honden hier gewoon een baas. Maar het is dus een leuk extraatje om af en toe iets lekkers te krijgen van een toerist. Daarbij zijn ze dan ook nog erg kieskeurig, want voor een stukje brood – en soms zelfs voor mijn hondenkoekjes – halen ze hun neus op. Nee, het moet natuurlijk wel écht iets lekkers zijn.

Maar goed, de sunset. De ondergaande zon is mooi, maar niet zo spectaculair als gisteren en dat bewijst maar weer dat we gisteren dus echt mazzel gehad hebben. Het werd tijd.


Woensdag 21 oktober


Afscheid van Paaseiland

Het regent weer als vanouds. Alleen vandaag is het niet zo erg, want vanmiddag verlaten we Paaseiland en zullen we weer terug naar Santiago vliegen. We ruimen onze tassen op het gemak in en de rest van de ochtend vullen we met internetten. Om 12.00 uur worden we door Marta naar het vliegveld gebracht en krijgen we bij het afscheid een ketting met een houten moai eraan, als aandenken.

Mataveri International Airport is het vliegveld van Paaseiland, het is gelegen vlak buiten Hanga Roa. Er is één geasfalteerde landingsbaan van 3318 m lang en die loopt van kust tot kust. Er wordt alleen naar het vliegveld gevlogen door de nationale Chileense luchtvaartmaatschappij LAN Airlines, en daarnaast kan de landingsbaan ook door de NASA worden gebruikt als de Space Shuttle een noodlanding moet maken.

We verlaten deze magische plek waar je eens in je leven geweest moet zijn, en na een voorspoedige vlucht landen we na ruim 4 ½ uur in Santiago waar we een taxi nemen naar ons hostel.