Home  
|
  Welkom  
|
  Route  |  Reisverslag  |  Foto's  
|
  Film  
|
  Info  
|
  Contact
 
Peru  
|
  Bolivia  
|
  Argentinië  |  Chili  |  Paaseiland  |  Chili

Bolivia


14 september Puno (Peru) - Copacabana
15 september Copacabana: Isla del Sol
16 september Copacabana - La Paz
17 september La Paz: heksenmarkt
18 september La Paz: Death Road mountainbiken
19 september La Paz - Sucre
20 september Sucre: Tarabuco markt
21 september Sucre - Potosí
22 september Potosí: sightseeing
23 september Potosí - Uyuni
24 september Uyuni: sightseeing
25 september Salar de Uyuni: jeeptocht
26 september Reserva Nacional de Eduardo Avaroa: jeeptocht
27 september Reserva Nacional de Eduardo Avaroa: jeeptocht



Maandag 14 september


Op een houtje bijten

Copacabana. Dat klinkt als witte stranden, palmbomen en cocktails geserveerd door schaars gekleed vrouwelijk schoon. Echter, er bestaan meerdere Copacabana’s in de wereld en waar wij naartoe gaan is de Boliviaanse variant; witte stranden en palmbomen zijn er niet te vinden, cocktails gelukkig wel en met een beetje meer moeite ook vrouwelijk schoon – al is dat meer in de trant van een Boliviaanse uitvoering van een Amerikaanse Big Mama gehuld in talloze lappen stof.

We zitten in een bus van Collectur die ons in zo’n drie uur naar Copacabana in Bolivia zal brengen, het armste land van Zuid-Amerika. We hebben kaartjes voor La Paz, maar we zullen dus eerst in Copacabana uitstappen waar we 2 nachten zullen blijven.

We volgen de oevers van het Titicacameer totdat we stoppen in een dorpje om geld te wisselen. Er wordt ons even verteld dat we in Copacabana geen geld kunnen pinnen dus dat we voldoende geld moeten hebben. Lichtelijk schieten we in paniek. We hadden dit al gelezen in de Planet, maar dit handige handboek heeft ons al verdacht vaak bewezen dat de inhoud niet altijd klopt. Bovendien is het al weer een wat oudere Planet en er zal toch inmiddels wel een pinautomaat zijn? Dus toen we gisteren bij de aardige – en verrassend goed Engels sprekende – dame op het kantoor van Collectur navroegen of we konden pinnen in Copacabana en zij volmondig “Yes, off course!” antwoordde hebben we (stom, stom) haar het voordeel van de twijfel gegeven. Fout. Geen pinautomaat in Copacabana voor ons.

Koortsachtig duiken we in onze zakken en rugzakken, naarstig op zoek naar nog wat geld om te wisselen. We hebben natuurlijk wel wat, voornamelijk Amerikaanse dollars, maar de Peruaanse solletjes hadden we netjes allemaal opgemaakt in Puno. Gelukkig vind ik nog wat dollars in mijn portemonnee en ook grabbel ik nog ergens – jawel – 5 euro vandaan. Onder het mom van alle beetjes helpen. Uiteindelijk komen we nog wel tot een redelijk bedrag, maar of we het daar die 2 dagen volledig mee redden...? Dat wordt budgettair verantwoord op een houtje bijten.

Als we eenmaal bij de grens van Bolivia komen moeten we allemaal de bus uit. Stempeltje in ons paspoort bij het verlaten van Peru. We moeten vervolgens lopend de grens over – waarom is volstrekt onduidelijk – en de bus rijdt leeg de grens over. Daarna stempeltje bij het binnenkomen in Bolivia en de formaliteiten zijn weer afgehandeld.

Twintig minuten later worden we afgezet in het centrum van Copacabana. We zoeken ons door de Lonely Planet aanbevolen hostel La Cúpula op en als eerste vragen we of we kunnen pinnen in Copacabana – je weet nooit – en helaas blijkt dat dus niet zo te zijn. Shit. En net nu we in een relatief duur hostel willen verblijven waar ook het eten voortreffelijk zou moeten zijn... Dan wordt het fenomeen ‘houtje bijten’ vanwege een budgettaire crisis wel erg zuur voor ons lekkerbekpackers. Maar, en nou komt het, de volgende magische zin tovert direct twinkelende ogen en een forse glimlach op mijn gezicht; “You can pay the room and your diner with creditcard if you want.” Opgelost!

Copacabana is vooral een gezellig toeristenoord met leuke terrasjes en kleurrijke straatjes, met als hoofdattractie het Titicacameer en het daarin gelegen eiland Isla del Sol. Morgen willen we dan ook een boottocht maken naar dit eiland en dus boeken we 2 tickets voor een normale – niet-toeristische – overtocht voor het schandelijke bedrag van 15 bolivianos per persoon (1,50 euro!).

Tegen zonsondergang lopen we in een kleine 20 minuten de steile heuvel El Calvario op om de zon te zien zakken in de zee. Mooi, maar inmiddels hebben we wel mooiere zonsondergangen gezien en bovendien wordt het zodra de zon ondergaat aardig koud. Vooral met onze bezwete ruggen van het omhoog klauteren. We houden het hier dan ook snel voor gezien en keren terug naar ons hostel.

’s Avonds eten we heerlijk – maar dan ook echt heerlijk – in het restaurant van ons hostel en we nemen het er dan ook goed van met een wijntje, knoflookbrood vooraf, een voortreffelijk kipgerecht, een smaakvol visgerecht, een geflambeerde banaan met noten en een liter whisky eroverheen (mjammie!) als nagerecht en we eindigen met een koffie en een cocathee.

En toen waren we blut zou je zeggen.

Nou, allesbehalve! Voor dit zeer uitgebreide en smakelijke maal legden wij slechts 106 bolivianos neer, een slordige 10 euro... Bolivia bevalt me nu al.


Dinsdag 15 september


Eiland van de zon

Het is 8.30 uur als we in een boot volgestouwd met Bolivianen naar adem zitten te snakken vanwege de benzinedampen, doof worden van het geluid van de motor, en een planken kont krijgen van de harde bankjes. We zijn op weg naar Isla del Sol, oftewel eiland van de zon.

Eenmaal aangekomen op Isla del Sol beginnen we meteen aan de steile klim naar boven. Het zijn weer een hoop treden en op de een of andere manier vallen de trappen ons vandaag zwaar. We zijn die ongelijke traptreden een beetje zat aan het worden en stiekem verlangen we ook wel naar de vlakheid van Nederland...

Van de uitzichten daarentegen krijgen we nooit genoeg! Een blauw meer dat fonkelt in de zon omarmt het eiland. Een eenzaam vissersbootje dans op het water. De meer dan 6000 m hoge besneeuwde bergtoppen van de Cordillera Real steken fier de lucht in en vormen het decor van een sprookjesachtig landschap. Een lama kruist mijn pad. De oogopslag doet mij verleiden een foto te maken. En nog twee.

Helaas stopt het sprookje abrupt als er ineens een vrouwtje tevoorschijn komt dat om geld vraagt voor het maken van de foto’s. Maar het dier hoeft niet te poseren, hoeft er niets voor te doen en heeft er ook geen last van. Met tegenzin vis ik ergens uit mijn zak een boliviano – weliswaar maar 10 eurocent – maar toch ben ik het er niet helemaal mee eens.

Isla del Sol is kaal, heuvelachtig en het bestaat voornamelijk uit rotsgronden. Op het eiland ontbreekt het geheel aan gemotoriseerd verkeer en verharde wegen. Er zijn slechts een paar ingeslapen dorpjes die uitkijken over de diep blauwe eindeloze leegte van het Titicacameer. We wandelen wat rond over het eiland, maar onze benen hebben vandaag een off-day en dus keren we na een tijdje terug naar het beginpunt en zoeken een fenomenaal terrasje uit – hangend tegen een rots – met een weergaloos mooi uitzicht op het meer en de machtige Andespieken. Hier genieten we van een hapje en een drankje en lezen wat in de Planet om te kijken wat we de komende dagen gaan doen.

Aan het einde van de middag nemen we de boot terug naar Copacabana waar we ’s avonds – hoe kan het ook anders – weer aanschuiven in ons favoriete restaurant bij ons eigen hostel.


Woensdag 16 september


Bussen en bolhoedjes

Copacabana is een leuk dorpje met veel fotogenieke straatjes en mensen. Deze ochtend maken we dan ook een laatste wandeling over de markt, over het plein en we bekijken de prachtige basiliek bij het plein.

Om 13.00 uur vertrekt onze bus van Copacabana naar La Paz, maar voordat het eenmaal zo ver is zijn we ruim een uur verder. Ging het regelwerk in Peru elke keer van een leien dakje, we kunnen duidelijk merken dat alles in Bolivia veel minder goed en strak georganiseerd is. De bussen vanuit Peru mogen niet verder Bolivia in en dus moeten we in een andere bus stappen dan waarmee we van Puno naar Copacabana zijn gekomen. Verwarring alom. We vragen de chauffeur, maar die kan niets anders zeggen dan “Un momento” met als gevolg dat er zo’n 50 man van de ene bus naar de andere bus lopen te zeulen met hun bagage om vervolgens dan nog niets wijzer te worden.

Een uur later zitten we dan toch in de juiste bus. Volgepropt met mensen – er moeten zelfs mensen op de grond zitten – maar het allerbelangrijkste; 1) we zitten er in, en 2) de bus zal naar La Paz rijden. Reden voor een feestje op zich. Zo ook een feestje onderweg; worden we bergop nog regelmatig ingehaald door een andere bus of auto, bergaf racen we met behulp van de zwaartekracht alles en iedereen voorbij. Op de manoeuvres die de chauffeur daarbij uithaalt kan menig racecoureur jaloers zijn.

Na een tijdje rijden en racen langs de oevers van het Titicacameer stoppen we ineens. Met onze gammele en vol met bolhoedjes zittende Boliviaanse Micros-bus moet eerst een stukje van het Titicacameer worden overgestoken voordat we verder kunnen rijden. Dat gebeurt niet door middel van een brug. Nee, in Bolivia doen ze dat geheel op eigen wijze. De bus moet op een – enigszins dubieus uitziende – veerboot en wij worden met – nog dubieuzer uitziende – kleine motorbootjes overgezet. Bus en passagier scheiden dus tijdelijk om (hopelijk) aan de overkant weer herenigd te worden. Eenmaal aan de overkant aangekomen stappen we dan weer in de bus om ons opnieuw tussen de bolhoedjes, rode wangen en zakken aardappelen te nestelen.

Na zo’n 5 uur rijden naderen we uiteindelijk La Paz, de hoogstgelegen hoofdstad van de wereld. De ligging van La Paz is schitterend; de stad ligt op 3600 m ingeklemd door talloze besneeuwde toppen van 6000 m. Niet voor niets is La Paz dan ook uitvalsbasis voor veel expedities en beklimmingen.

We zoeken een hostel in het centrum en komen uit bij Hotel Continental waar we voor 120 bolivianos per nacht (12 euro!) een compleet appartement tot onze beschikking hebben. Drie slaapkamers, 2 badkamers, een keuken en een woonkamer, en dat voor ons tweetjes. Weliswaar is het appartment ‘smaakvol’ voorzien van oude meuk; donkere kitscherige meubels tegen donker gekleurde wanden en opgeleukt met prachtige oliegeverfde schilderijtjes. De porseleinen poesjes in de vensterbank ontbreken nog net. Yak. De oranje muren zijn al decennia niet meer overgeverfd en de bruine vlekken op het servies verraden dat ook de schoonmaakster jaren geleden de moed heeft opgegeven. ALS ze al een schoonmaakster hebben hier, want de uitgestorven spinnenwebben, de lagen stof en de plukken haar in de prullenbak doen helaas anders vermoeden.

Schoonmaakster of niet, ons appartement zou in ieder geval wel ‘warm water’ hebben. Dat blijkt redelijk te kloppen. Losse elektriciteitsdraden lopen naar de met plakband vastgezette douchekop en als je de schakelaar precies in de juiste stand zet – dit soort finetunen laat ik aan Martijn over – dan krijg je af en toe lauw water. Vermoedelijk ook krullen als je iets fout doet.


Donderdag 17 september


Een dagje regelwerk

Vandaag bestaat voornamelijk uit regelen en bedenken wat we de komende dagen willen doen. Vanuit La Paz kan je nl. verschillende activiteiten ondernemen, van treks en jungletours tot mountainbiketochten, drie dingen die bij ons op het lijstje staan.

Over één ding kunnen we kort zijn; we hadden vage plannen de 3-daagse Takesi Trail te lopen als we na de Inca Trail nog zin hadden, maar eerlijk gezegd hebben we wel genoeg geklauterd. De trek valt dus al snel af.

Vervolgens zoeken we wat – door de Lonely Planet aanbevolen – reiskantoortjes op waar we wat meer te weten willen komen over de jungle- en/of pampastours. Vanuit La Paz kan je bussend (24 uur over zeer slechte wegen), met een boot (3 dagen onderweg) of vliegend Rurrenabaque bereiken, de plaats waarvandaan de meeste jungle- en pampastours vertrekken.

We laten ons grondig informeren, maar na het relaas van de medewerker over ontelbare bloeddorstige muggen, steekgrage wespen en zweten bij 40 graden klamme hitte staan wij niet echt te springen van enthousiasme. Bovendien laat hij ons foto’s zien die ons niet heel erg aanspreken. Als je de jungletour doet zie je voornamelijk dichte begroeiing, planten en bomen – jungle dus – maar verder weinig wild. Als je de pampastour doet zie je wel veel meer wild getuige de foto’s die we zien. Even een opsomminkje; foto van een meisje met een anaconda om haar nek, foto van een gevangen piraña, foto van een stoere Steve Irwin lookalike met een krokodil in zijn handen...

Tja, dat is nou niet echt ons idee van wild zien. Het komt allemaal een beetje toeristisch en dieronvriendelijk over – ik wil wel een mooi plaatje van zo’n dier maar hoef er geen om mijn nek – en eigenlijk is ons besluit al genomen. Die jungle- en pampastocht gaat het voor ons niet worden.

Dan de mountainbiketocht. Mountainbiken over de Death Road is iets wat vooral Martijn – als ervaren mountainbiker – erg graag wil doen, al vind ik het – als onervaren mountainbiker – wel wat griezelig. Op het kantoor van Gravity krijgen we een heel boekwerk dat we door moeten lezen en op het gebied van veiligheid lijkt het in orde. Met knikkende knieën (teken ik hier mijn doodsvonnis?) zet ik dan maar mijn handtekening; Death Road mountainbiken wordt bij deze een feit.

We maken de balans op en rekenen uit hoe lang we in La Paz willen blijven, in totaal 3 nachten, en zoeken wederom een reisbureautje op. Dit keer om te vragen wat een vliegticket naar Sucre kost. We hebben nl. vernomen dat de weg van La Paz naar Sucre erg slecht en gevaarlijk is en dat de bus er zo’n 18 uur over doet. Mocht nou de prijs van een vliegticket wel meevallen dan gaan wij natuurlijk niet de hele nacht zitten hobbelen in een bus in de hoop levend aan te komen...

Goed, ik heb het al een keer eerder gezegd; verliep in Peru alles buitengewoon vlotjes, in Bolivia halen we de schade dik in.

Vliegtickets naar Sucre blijken inderdaad niet duur en dus boeken we 2 vliegtickets naar Sucre met Tam Airlines. Als we vervolgens de tickets doornemen blijkt dat we maar 15 kg aan bagage mee mogen nemen, terwijl de baliemedewerkster ons vantevoren vertelde dat we 20 kg mee mochten nemen! Met LAN zijn we aangekomen met zo’n 20 kg dus dan hebben we toch een verschil. De baliemedewerkster vertelt ons echter dat bijbetalen voor een paar kilo erg goedkoop is, het kost ongeveer maar 5 bolivianos per extra kilo. Ongeveer. We vertrouwen het niet zo en met in ons achterhoofd het achterlijk hoge bedrag dat wij moesten bijbetalen voor een houten giraffe in Zuid-Afrika, willen we wel zeker weten hoeveel het nou precies is. We dringen er op aan dat ze dit navraagt bij de luchtvaartmaatschappij wat ze na lang zeuren van onze kant dan ook eindelijk doet. En, het kan natuurlijk niet anders, bijbetalen voor extra gewicht blijkt helemaal niet mogelijk te zijn op deze vlucht! We mogen dus überhaupt niet meer dan 15 kg meenemen! We vinden het een raar verhaal maar zijn wel blij dat we het nu weten en niet pas als we op het vliegveld staan. Doorzeuren wordt bij deze mijn specialiteit.

Maar wat nu? De baliemedewerkster komt met het briljante idee om de in totaal 10 kg te veel als vracht te verzenden, maar daar hebben we helemaal geen zin in. Weten we zeker dat we onze spullen straks kwijt zijn. Wij zijn met 20 kg aangekomen en we willen ook weer vertrekken met 20 kg. De enige andere optie is dan de tickets van Tam annuleren – hier moeten we dan ook meteen 5 dollar p.p. voor betalen, afzetters – en nieuwe tickets bij een andere maatschappij boeken.

Even later staan we dan ook buiten met een setje 2 keer zo dure tickets van Aerosur – first class nog wel – maar we mogen dan ook wel 30 kg meenemen. Duur grapje... alsnog.

Na al het regelwerk wordt het tijd om La Paz te gaan verkennen en we storten ons in een kakelbonte, lawaaierige en drukke verstedelijkte chaos. Het is een ware beproeving voor je zintuigen! De geur van versgebrande pinda’s gaan het gevecht aan met de zware benzinedampen van de talloze microsbusjes die bumper aan bumper rijden en de vele straatverkopers strijden voor de beste verkoopplek. We banen ons een weg langs de talloze kraampjes, we worden omver gebeukt door dikke bolhoedjes-vrouwtjes met hun brede rokken en kindjes op de rug, om de 10 meter worden we benaderd door schoenpoetsers met bivakmutsen op en de weg oversteken is weer het betere hink-stap-sprong werk. Heerlijk die chaos.

Voor een dag.

We zijn op weg naar de heksenmarkt. Hier verkopen ze alle mogelijke kruiden, magische stenen, geheimzinnige drankjes en ... lamafoetussen. Bolivianen geloven dat je de boze geesten buiten je huis houdt indien je deze onder je voordeur begraaft. Ook kan je hier offers kopen voor Pachamama. Pachamama is voor de inheemse bevolking van de centrale Andes van Zuid-Amerika heel belangrijk. Zo ook in Bolivia. Bij ons komt ‘Moeder Natuur of Moeder Aarde’ nog het meest in de buurt. In onze ogen is Moeder Natuur niet meer dan een kribbig oud dametje dat alleen haar gal spuwt bij natuurgeweld als aardbevingen, overstromingen of vulkaanuitbarstingen. Echter, in Bolivia is Pachamama het symbool van vruchtbaarheid, beschermengel van de mens en de bron van materiële welvaart. De indianen aanbidden haar en beschouwen haar als een levend wezen. Ze geloven dat Pachamama tegemoetkomt aan hun wensen, als ze haar overstelpen met offers.

We slenteren wat rond over het interessante marktje, lopen door de steile straatjes van La Paz – ik kweek echt spieren hier – en we bekijken een aantal koloniale gebouwen. Dan is de dag alweer voorbij.


Vrijdag 18 september


Yes, we did it!

Met een hoop stoere mountainbikes op het dak staat de bus van Gravity al ongeduldig op ons te wachten. Ik kijk om me heen en maak de balans op. Eén – gelukkig – wakkere chauffeur, drie enthousiaste gidsen en elf lijkbleke toeristen. Het wordt een spannende dag vandaag...

Men neme een smalle ongeasfalteerde weg van hooguit 3 meter breed langs 600 meter diepe afgronden, voeg daar nog wat gaten, kuilen en watervallen aan toe, smijt er hier en daar wat losse stenen en rotsblokken op, en zie hier; de enige echte Death Road!

De Death Road is een 64 km lange weg die loopt van het koude Andesgebergte van 4750 m hoogte naar de stomende jungle bij Coroico op 1100 m. Doordat de weg langs zeer diepe afgronden van ten minste 600 m gaat, de weg enkelbaans is (niet breder dan 3,2 m) maar wel – al dan niet dronken – tegenliggers kent, en doordat er nergens een vangrail is, is het een extreem gevaarlijke weg. Ook kunnen regen en mist voor beperkte zichtbaarheid zorgen, de weg glibberig maken en er kunnen rotsen afbreken van de kliffen erboven. In 1995 is deze weg dan ook door de Inter-American Development Bank uitgeroepen tot 's werelds meest gevaarlijke weg. Niet zo verwonderlijk als je weet dat er zo’n 200 tot 300 weggebruikers jaarlijks de diepte in kukelen.

En over die Death Road gaan wij dus mountainbiken. Vind ik dit leuk? Ik geloof van niet.

Gelukkig begeef ik me in goed gezelschap;
• Ten eerste is er Martijn, die me op het hart heeft gedrukt dat hij de fietsen zeer nauwkeurig zal inspecteren (toch handig dat hij alle ins en outs van een mountainbike kent) en die me bij zal staan tijdens de rit indien nodig.
• Dan is de eigenaar van Gravity zelf mee, Allistair, een Nieuw-Zeelander die al meer dan 10 jaar ervaring heeft met deze tocht, toch best een veilig idee.
• Vervolgens is er een extra gids mee, David, die vandaag zijn examen af moet leggen, weliswaar dus niet ervaren, maar wel een gids extra.
• We hebben Rodrigo, een van de snelste downhillers van Bolivia, hij kent Death Road als geen ander en is onze gids en tevens monteur.
• En last but not least, de chauffeur die al 30 jaar (!) zo goed als elke dag de Death Road rijdt.

Best veilig zo op het eerste gezicht. Nu mezelf nog vertrouwen. ;-)

De combinatie Lonneke en mountainbiken is nl. nog niet zo Yin Yang. En túúrlijk, ik heb echt wel ooit op een mountainbike gezeten, sterker nog, er staat er zelfs eentje bij ons thuis, maar om me nou met een noodgang stuiterend van steen naar kuil en andersom van de meest dodelijke weg ter wereld te laten gaan... das andere koek. Voor Martijn niet, die is zowat geboren op een mountainbike.

Eenmaal bij ons startpunt aangekomen begint het nu toch wel heel erg te kriebelen. We krijgen onze mountainbikes aangemeten en we worden voorzien van een allercharmanste outfit bestaande uit helm, handschoenen, een broek waar ik 2 keer in pas, een nog beter passend jasje en daaroverheen een buitengewoon knap gedesigned knaloranje hesje. Zo kunnen de mensen tenminste zien dat ik eraan kom. Hadden ze ook niet toevallig een helm met een zwaailicht voor mij?

Vervolgens krijgen we verdere instructies. De route zal beginnen op asfalt, daarna wordt het alleen maar dirt road. De weg bestaat uit verschillende secties waarvoor steeds andere regels en technieken gelden. Bij elke nieuwe sectie wordt er dan ook gestopt om nieuwe aanwijzingen te krijgen. Ook wordt er erg gehamerd op veiligheid; voor bochten afremmen, genoeg afstand tussen jou en je voorganger en – ieks – stoppen aan de afgrondkant als er verkeer wil passeren.

Als we de regels en veiligheidsvoorschriften kunnen dromen zijn we klaar voor vertrek. Maar niet voordat we Pachamama tevreden hebben gesteld. Het is een gewoonte om een of ander sterk alcoholisch goedje eerst op de grond te druppelen (voor Pachamama), dan op de band van je voorwiel te druppelen (voor veiligheid van je fiets) en tot slot mag je zelf nog een teug van het bijzondere bacterie-dodende drankje nuttigen. Yak.

Dan kunnen we eindelijk beginnen aan de lange afdaling van 64 km. We starten op 4750 m in het koude Andesgebergte en we zullen eindigen op 1100 m in de hete jungle – een hoogteverschil van 3650 m – wat een contrast! Wat nóg een groter contrast is; de snelheid van mij en de rest van de groep! En niet omdat ik sloom fiets, asfalt-fietsen lukt nog wel, maar omdat ik niet zwaar genoeg ben! Allistair had ons al gewaarschuwd dat de lichtsten van de groep de achtersten zullen zijn, nou bij deze dus.

Na een tijdje loeihard afdalen belanden we bij een tunnel. Voorheen werd er ook met de mountainbike door de tunnel gereden, maar omdat er een keer een ernstig ongeluk gebeurd is met een fietser midden in de tunnel gaan we er nu via een erg ruig en stenerig pad omheen. Hadden we dat maar niet gedaan.

In no time zijn alle mountainbikers weggesprint en sta ik als enige nog mijn weg uit te stippelen tussen alle stenen, kuilen en rotsen. De stenen liggen net op alle plekken waar ik ze niet wil hebben en het vlakste gedeelte grenst direct aan een loodrechte afgrond van 600 m diep. Tja, dan toch maar de kant van de losse stenen en rotsen en even later hots en bots ik via de ene grote kei op de andere nog grotere kei. Ondertussen werp ik een snelle blik op de rest van onze groep en ik kom tot de afschrikwekkende conclusie dat er enkel ervaren mountainbikers in onze groep zitten. Of nou ja, in ieder geval mensen die wel vaker op ruig terrein hebben gefietst. En daar zit ik dan als groentje op mijn mountainbikezadel te glibberen van de zeven kleuren stront die ik schijt. Vind ik dit leuk? Nee, ik vind dit niet leuk. Ik voel dat ik de controle over mijn stuur lichtelijk begin te verliezen en een verdachte vorm van paniek maakt zich bijna van mij meester. Bijna. Want net als ik het eigenlijk niet meer zie zitten maak ik een grote stuiter en beland ik weer op een vastere ondergond. Pfff...

Die vaste ondergrond bestaat uit asfalt met af en toe onderbrekingen met gravel. Er is ons vantevoren gezegd dat we dus rustig aan moeten doen en vooral niet te hard moeten remmen op gravel. Nou zijn er altijd mensen – ik niet hoor – die dit soort waarschuwingen aan hun laars lappen.

Een fietser van onze groep rijdt veel te hard, belandt in een soort van kuil, trekt meteen aan zijn rem, vliegt over de kop en komt neer op zijn schouder. Hij blijft liggen. Onze gidsen snellen er op af en lijkbleek en met een verbeten gezicht krabbelt hij uiteindelijk moeizaam op. Na enig onderzoek komt er een diagnose; gebroken sleutelbeen. Einde verhaal.

Het werkt zal ik maar zeggen niet echt mee voor mij. Ik, trillend op mijn benen en zelf nog maar net bekomen van het stukje gravel met de keien zie het nu uiteraard helemaal niet meer zitten... Maar ja, wat is het alternatief? Mensen die niet meer durven of de groep ophouden kunnen in de bus zitten met als gevolg dat je de hele Death Road naar Coroico per bus aflegt. Ik weet niet wat ik verontrustender vind.

De gevallen fietser moet in ieder geval terug vervoerd worden naar La Paz. Het plan is dan om allemaal in de bus te stappen, fietsen weer op het dak, en dan brengt de bus ons tot het hoogste punt – we hadden net een stukje klimmen voor de boeg – vanwaar wij verder zullen fietsen. De bus kan dan terugrijden naar La Paz om de gewonde naar een ziekenhuis te brengen. We moeten dus het stuk omhoog met de bus volbrengen, terwijl we eigenlijk dat hele stuk nog hadden moeten fietsen. Wat jammer nou.

Eenmaal bovenaan afgezet moeten we helaas – hijg, hijg – nog een stuk klimmen, maar daarna gaan we van de grotere weg af en zal het alleen maar afdalen zijn. Afdalen op een gravelweg vol gaten, kuilen, stenen en rotsblokken. En dit naast een loodrechte afgrond van 600 m diep. Maar goed, als je spanning en avontuur zoekt dan moet je ook niet jammeren als je het vindt.

En dus, na een tijdje stuiteren begin ik zowaar vertrouwd te raken met mijn fiets. Ik merk dat de brede banden met flink profiel niet wakker liggen van een kei meer of minder en ik voer mijn tempo ook wat op. Ook begin ik wat meer oog te hebben voor de omgeving – genieten is nog een groot woord – maar ik zie in ieder geval de schoonheid waarin we terecht zijn gekomen; aan de ene kant van de weg groene ongerepte loodrechte wanden met watervallen, aan de andere kant een eindeloze diepte. In de verte kronkelt de weg als een dun wit sliertje om de bergen heen en naarmate we steeds lager komen hoe groener en warmer het wordt. De weg is op sommige stukken erg slecht, maar gelukkig nergens meer zo slecht als het stukje pad langs te tunnel, dat mogen ze wat mij betreft skippen.

Er zijn nog wel een paar momentjes die wat angstig zijn, als je bijv. aan de kant van de afgrond moet gaan staan als er een grote vrachtwagen – die de hele weg opvult – wil passeren. En gelukkig heb ik het zo druk met de weg die voor me ligt, dat de talloze kruizen langs de kant van de weg me haast niet opvallen. Voor de rest is het gewoon een hele mooie spannende afdaling!

Na zo’n 5 uur stuiteren komen de dampen van de stomende jungle ons tegemoet en we komen allemaal heelhuids aan bij La Senda in Coroico. Heet, rood, bezweterig en heel erg stoffig. Met zadelpijn en pijn in mijn handen van al het remmen. Maar vooral ook met een heel voldaan gevoel!

Gravity werkt samen met La Senda, een opvangcentrum voor mishandelde dieren. Zo lopen er overal aapjes, honden en vliegen de papegaaien rond je oren, erg leuk al hebben ze natuurlijk allemaal een verleden wat heel wat minder leuk is. Bij La Senda krijgen we uitleg over de opvang en er is een mogelijkheid te douchen, iets waar we dankbaar gebruik van maken. Daarna mogen we rondlopen in het park en de dieren bekijken, grappig om de spelende aapjes te volgen.

Na – uiteraard – een donatie te hebben achtergelaten vertrekken we met de bus weer richting La Paz. Eind 2006 is een nieuwe weg van La Paz naar Coroico geopend voor publiek. Deze nieuwe weg heeft moderne eigenschappen zoals bruggen, waterafvoer, meerdere rijstroken, asfalt en vangrails, waardoor het een veel veiligere weg is dan de oude Death Road. Maar zo denkt Allistair er niet over. Volgens hem wordt daar juist dermate hard gereden dat deze weg helemaal niet veilig meer is! En dus stuiteren wij over dezelfde weg die we fietsten – DEATH ROAD dus voor de onopletttende lezers – terug naar La Paz...

Dacht ik dat ik alles overleefd had met mountainbiken, stellen we ons leven alsnog in de waagschaal, maar nu zijn we overgeleverd aan een buschauffeur! Een zenuwslopende rit naar boven volgt en na een paar uur stapvoets rijden bereiken we eindelijk het brede asfalt wat ons terug brengt naar La Paz. Pfoe, enerverend dagje vandaag.

Maar; we leven nog!

Wij wel. Met de gevallen fietser die zijn sleutelbeen gebroken heeft blijkt het wat minder te gaan; hij moet diezelfde avond nog onder het mes en de boel wordt vastgezet met een aantal pinnen. Lekker dan.


Zaterdag 19 september


4 x 4 vliegen

“¡Buenos días!” De vriendelijke taxichauffeur groet ons. We stappen in de taxi en rijden naar het vliegveld van La Paz. “¿De dónde es usted?” De chauffeur onderwerpt ons aan een kruisverhoor en als hij hoort dat we Nederlanders zijn, weet hij best veel over Nederland te vertellen. In ieder geval dat het vlak is. We zijn blij dat we een woordje Spaans spreken, een gesprek wordt zo heel wat leuker en de chauffeur kletst ons de oren van het hoofd.

Eenmaal bij het vliegveld checken we in en alle bagage mag gelukkig mee. Het vliegveld van La Paz is bijzonder. Het is de enige internationale 4 x 4 luchthaven ter wereld; 4000 m hoog en 4000 m landingsbaan. De lengte van de landingsbaan is nodig omdat vliegtuigen op deze hoogte veel meer tijd nodig hebben om los te raken van de grond. Als we vertrekken duurt het dan ook een eeuwigheid voordat het vliegtuig los komt, maar uiteindelijk zitten we in de lucht, op weg naar Sucre. Terwijl de purser ons welkom heet breken we door het dikke wolkendek en alleen de allerhoogste bergtoppen slagen er in de witte deken onder ons open te rijten als waren het vlijmscherpe tanden. Schitterend!

Na een goede 45 minuten vliegen – toch wel anders dan 18 uur bussen – landen we in Sucre. Sucre blijkt een leuk stadje te zijn, met veel witte huisjes en mooie koloniale gebouwen. Er zijn gezellige patio’s met terrasjes, er schijnt een lekker zonnetje, de temperatuur is aangenaam en het eten smaakt er overheerlijk. Net als de pisco sour trouwens. Een leuke en relaxte bestemming na zo’n grote drukke stad als La Paz!


Zondag 20 september


Kleurrijke mensen op een kleurrijke markt

We hebben het geluk op zondag in Sucre te zijn, want op zondag is er een hele mooie markt in Tarabuco, een plaatsje dat op 60 km van Sucre ligt. Minder geluk is dat we vandaag i.v.m. wegafsluitingen voor een of andere racewedstrijd al om 6.00 uur moeten vertrekken i.p.v. om de normale tijd van 9.00 uur. Pijnlijk.

Na anderhalf uur rijden komen we dan ook veel te vroeg aan in Tarabuco, waar uiteraard nog geen bedrijvigheid is. Het is koud, steenkoud en we kunnen nergens naar binnen of iets doen. We zoeken een beschut plekje in de zon tegen een muurtje en doden onze tijd met warm proberen te worden.

Langzaam druppelen de Bolivianen met karretjes volgepropt met vlees, souvenirs of kleden naar de markt. We slaan het tafereel vanaf een afstandje gade. De meeste Boliviaanse vrouwen dragen traditionele kleding bestaande uit een – veel te klein – hoedje, een kleurige omslagdoek waar een baby of een hoop kilo´s aan handelswaar in wordt gedragen en een feestelijke rok die om de – zonder uitzondering – dikke billen geslagen wordt. Mannen zitten op een hoek van de straat cocabladeren te kauwen. Ondertussen worden de vooralsnog lege straatjes gevuld met allerlei koopwaar; voornamelijk kleding, slippers gemaakt van autobanden, offers voor Pachamama, aardappelen, groenten en fruit. Als de markt uiteindelijk helemaal ingericht is en de zon de temperatuur wat aangenamer maakt vervullen we onze tijd met slenteren over de markt en het bekijken van de kleurrijke bevolking.

Aan het begin van de middag keren we weer terug naar Sucre waar helaas niets te beleven valt op zondag. Bijna alle restaurantjes zijn dicht en de straten liggen er maar verlaten bij.


Maandag 21 september


Hoogste stad ter wereld

De bus van Emperador zit vol. Vol met Bolivianen die elk hoekje van de bus vol hebben gepropt met hun spullen en daartussen zitten wij. De bus is oud en gammel; het interieur is voor het merendeel met plakband opgelapt, de ramen klemmen, er zit een grote barst in de voorruit en de banden zijn zo kaal als een biljartbal. Ook het dashboard is op zijn zachtst gezegd bijzonder te noemen; op de plaats waar ooit metertjes en andere instrumenten zaten zie ik enkel wat lege gaten. Het enige dat – helaas – wel goed blijkt te werken is de radio die gedurende de hele reis onafgebroken zijn krakende muziek door de bus schreeuwt...

We zijn op weg van Sucre naar Potosí, gelukkig maar een ritje van zo’n 3 ½ uur. Wat opvalt tijdens de reis is dat de Boliviaanse kinderen die met hun ouders meereizen zich zo ontzettend rustig houden. Moeders legt een dekentje neer op de grond, hup kind erop en binnen no time slaapt het, ondanks het gehobbel over de slechte wegen. Geen geren door het gangpad, geen getrek aan je stoel, geen gezeur of gejank. Daar kunnen ze in Nederland nog wat van leren.

Rond de middag komen we aan in Potosí, op 4090 m hoogte gelegen en daarmee de hoogste stad ter wereld. Potosí ligt aan de voet van de ‘Cerro Rico’ oftewel ‘Rijke Heuvel’ en dat mag gerust letterlijk worden genomen. De legende gaat dat in 1545 een indiaan de sporen volgde van een ontsnapte lama en zo terecht kwam op de flanken van de berg. Hij was verplicht er de nacht door te brengen en om de kou te weerstaan maakte hij een vuurtje. In het licht van het vuur zag hij schitteringen in het gesteente op de berg en zo ontdekte hij het zilver.

Nu nog, na bijna 500 jaar intensieve ontginning zijn er ‘mineros’ aan het werk in de buik van de berg. En hoewel er nog wel wat zilver wordt gevonden, wordt er nu vooral tin, koper en lood gemijnd. In erbarmelijke omstandigheden wel te verstaan. De tunnels waarin gewerkt wordt zijn lang en smal en de stutten zijn vaak ingezakt. Er is geen ventilatie en de temperatuur in de mijnen kan wel oplopen tot 40 graden! De mijnwerkers ademen de hele dag giftige stoffen in, zoals salpeter, asbest en carbid, en ze sterven bijna allemaal vroegtijdig als gevolg van een stoflong of door explosies.

We wandelen wat door de wederom steile straatjes in Potosí en regelen voor overmorgen de bustickets naar Uyuni. Ook gaan we alvast wat informeren over de verschillende tours naar de mijnen, maar we boeken nog niets. Dit omdat ik me vandaag niet helemaal super voel, ik ben verkouden en we willen eerst afwachten hoe ik me morgen voel. Zoals eerder geschreven is het lopen door de benauwde stoffige gangen vol giftige gassen geen pretje, en al zeker niet als je al niet aan je adem kan komen vanwege een dicht zittende neus. We zien morgen wel.


Dinsdag 22 september


Van hot naar haar door heel Potosí

De kogel is door de kerk; we gaan niet naar de mijnen. Jammer, maar ik sta vandaag op met waterige ogen, een lichte hoofdpijn en een volledig verstopte neus. Zin in stofhappen en giftige dampen heb ik allerminst en dus blijven we vandaag in Potosí zelf.

Potosí blijkt een leuk stadje (wel koud!) met gezellige straatjes die gevuld worden met erg veel drukke en kakelende jongeren. Waar ze ineens vandaag komen weet ik niet, maar de straten zien hier werkelijk zwart van de jeugd.

Ook heel apart zijn de openingstijden die ze hier in Potosí hanteren. Niemand schijnt de echte openingstijden te kennen en het lijkt erop of iedereen maar zijn eigen openingstijden bedenkt. En voor elke dag verzinnen ze dan ook andere tijden. Een hoop gokwerk dus en meestal gokken we mis. Zo lopen we met de Lonely Planet in de hand van het ene dichte restaurantje naar het andere dichte café en van het ene dichte internetcafé via een dichte markt naar het andere dichte internetcafé. Dicht, dicht, dicht, alles is hier dicht. Heel irritant en als we dan eindelijk een leuk cafeetje hebben gevonden dat open is blijven we daar dan ook de rest van de middag hangen.


Woensdag 23 september


Op weg naar Uyuni

Het begon met 7 uur in een krappe hete bus, en we moesten opnieuw leren lopen bij aankomst.

Hoewel de bus van Emperador oud en gammel is en de busschauffeur een jongen is die met zijn hoofd maar net boven het stuur uit komt, krijg je daar op deze route een ervaring voor terug die niet vanuit een vliegtuigraampje of vanaf een strakke asfaltweg te ontdekken is... Een schitterende rit van Potosí naar Uyuni, slechts een afstand van maar 200 km, maar waarbij je wel 7 uur door de – overigens zeer mooie – woestijn bonkt en stuitert. Een aaneenschakeling van hobbels, bobbels, kuilen, greppels, stenen, zand en stof. Zeven uur stoelmassage op z'n Boliviaans. En waren de wegen in Peru best wel ok, de wegen in Bolivia moeten ter plekke nog worden aangelegd.

Bij aankomst in Uyuni bevinden onze ingewanden zich dan ook allemaal op een andere plek dan bij ons vertrek.

Het is al laat en stikkedonker als we naar het hostel – hostel Avenida – lopen dat we hadden uitgekozen. De straten zien er verdacht leeg uit, het is koud en guur en vooral ook erg donker. Niet echt fijn om ’s avonds laat aan te komen. Het hostel is erg goedkoop en ziet er schoon en netjes uit. Het is er alleen steenkoud, maar de 6 dikke alpacadekens zouden ons van enige warmte moeten voorzien. We gaan snel een hapje eten, maar ook in het restaurant is het ijs- en ijskoud. Van verwarming hebben ze, net als in de rest van Bolivia, nog nooit gehoord. Van ellende zoeken we vandaag dus maar heel vroeg ons bedje op, maar we worden bijna geplet onder de 6 dikke dekens...


Donderdag 24 september


Koud!

Twee keer zo plat word ik wakker. Met een ijskoude neus, een droge strot en vouwen in mijn wangen.

Tijd om Uyuni eens te verkennen. Uyuni ligt op een hoogte van 3660 m en is het vertrekpunt voor 4 x 4 tochten door de Salar de Uyuni en Zuid-Lípez. De landschappen behoren tot de prachtigste van Zuid-Amerika. We boeken bij Cordillera Traveller een 3-daagse tour van Uyuni dwars over de altiplano naar San Pedro de Atacama in Chili – zo’n 600 km – en de rest van de dag vullen we met internetten, slenteren over de markt en met opwarmen in de zon. In de zon uit de wind is het vaak lekker warm, maar zodra je uit de zon bent en er een forse wind staat is het hier meteen ijskoud. De Uyuniaanse avonden duren voor ons dan ook maar kort; na het avondeten belanden we al snel weer in ons met 6 alpacawollen dekens opgemaakte bedje...


Vrijdag 25 september


Overal zout

Ergens in een uithoek van Bolivia liggen twee werkelijk prachtige schatten; de Salar de Uyuni en Reserva Nacional de Eduardo Avaroa. De Salar de Uyuni is met zijn 12.000 km² de grootste zoutvlakte ter wereld, en tegen de grens met Chili en Argentinië ligt het prachtige natuurgebied Reserva Nacional de Eduardo Avaroa. De weinig comfortabele off-road tocht door deze eindeloze maar desolate schatkamer in een verloren uithoek van de Andes gaat vandaag voor ons beginnen.

Gaan er normaal zes personen mee met een tour, wij zijn maar met zijn vieren, erg relaxed. We maken kennis met onze medereizigers, een Amerikaans stel van onze leeftijd, Jake en Jessy. Toevallig hebben we Jessy al eens ontmoet in La Senda, de opvang voor dieren in Coroico, toen ze daar vrijwilligerswerk deed. De wereld is maar klein. De chauffeur, Flavio, blijkt een leuke jonge Boliviaan te zijn en hij is tevens onze kok en gids tijdens de tour.

Eerst zetten we koers naar het treinenkerkhof even buiten Uyuni waarna we na een korte stop verder rijden naar de zoutvlakte waaraan Uyuni zijn reputatie te danken heeft. De zoutvlakte is het restant van een zee die de hele altiplano vulde tot aan het Titicacameer en tijdens miljoenen jaren is het water langzaam opgedroogd. Eind december tot eind januari tijdens het regenseizoen is er wel water in het meer. Enkele centimeters maar. Net genoeg om de grootste zoutvlakte ter wereld tijdelijk om te toveren tot de grootste spiegel van de wereld. Maar nu niet. De zoutvlakte, gelegen op 3700 m hoogte is in deze periode droog.

Onze eerste stop is bij een zoutwinning. Mannen hakken en graven jaar in jaar uit in deze witte hel om ongejodeerd zout naar boven te halen. Ze krijgen slechts 6 bolivianos (0,60 euro) per ton zout. Over hun hoofd dragen ze vaak een bivakmuts en op hun neus staat een donkere bril tegen de onverdraaglijke lichtweerkaatsing. Hun handen en voeten zijn verbrand en aangevreten door het zout. Hoe mooi de Salar ook is, deze mannen verrichten zwaar werk.

Vervolgens razen we met 90 km per uur over de immense zoutvlakte, maar het is alsof onze jeep stilstaat en de aardbol onder ons doordraait. De Salar is oogverblindend en met de onontbeerlijke zonnebril op onze neus rijden we over de eindeloze witte vlakte. Het lijken puzzelstukken die in elkaar vallen als craquelé in een oude verflaag. Een strakblauwe lucht en zout, kilometers wit zout. Door het ontbreken van herkenningspunten vervaagt dan ook elk gevoel van perspectief, en dat biedt mogelijkheden;

In de Salar bevinden zich verder zo’n 60 eilanden, het zijn de toppen van oude vulkanen. De vulkanen zijn bedekt met een 10 cm dikke korst van fossiele algen die getuigen van de vervlogen tijden toen het waterpeil 100 meter hoger lag. Bij één van die eilanden, Isla del Pescado, houden we een stop. De hoofdattractie van het eiland wordt gevormd door reusachtige cactussen die gemakkelijk 10 meter hoog kunnen worden. Naar schatting groeien deze tussen 1 en 5 cm per jaar. Dat betekent dat de grootste exemplaren tussen 200 en 1000 jaar oud zijn. We maken een wandeling over het prikkelbare, maar mooie eiland en als we terugkomen heeft Flavio de lunch klaargemaakt.

Vervolgens rijden we nog kilometers over de witte vlakte, houden nog een paar stops onderweg maar als er dan een gigantische wind opsteekt rijden we rechtstreeks door naar het piepkleine dorpje San Juan waar we zullen overnachten in een heel bijzonder hotel; een zouthotel! Dit hotel is volledig gemaakt van zout; de muren, de vloeren, de bedden en tafels en stoelen. We hebben een grappig, knus en klein kamertje met knisperende zoutkristallen op de grond, een bed van zout en nachtkastjes van zout.

Ooit zo zout gegeten..?


Zaterdag 26 september


Overal stof

Na een heerlijke warme nacht in ons zoutbed – het is vreemd genoeg helemaal niet koud binnen – rijden we als eerste naar een begraafplaats in de directe omgeving van ons hotel. Nou houden wij niet zo van begraafplaatsen, maar deze is wel heel speciaal. In een soort van iglo’s van koraal (chullpa’s) liggen complete skeletten van mensen, schedels en botten omringt door scherven van potten. Bizar.

Daarna de jeep weer in en al binnen 5 minuten krijgen we een goede indruk van wat ons de komende dagen te wachten staat. Stof, stof en nog eens stof! Het fijne vulkaanzand in de kurkdroge omgeving stuift enorm en we laten stofwolken na die kilometers ver te zien zijn. We rijden over kronkelige hobbelige paden waar we door uitstekende rotsen en losliggende keien soms niet harder gaan dan 15 km per uur. Waar hellingen van 20% geen uitzondering zijn en tegenliggers geen optie. Jottum!

De omgeving wordt ook steeds ruiger, droger en kleurrijker. Diepblauwe meren en uitgestrekte roodbruine woestijnvalleien wisselen elkaar af. Aan de randen van de valleien staan bergen met hier en daar de top van een vulkaan ertussen. De Ollagüe, een actieve vulkaan omgeven door grillig versteende lavasculpturen, rookt aanhoudend. Geen boom of struik te bekennen. Je zou denken dat hier dan ook niets leeft. Maar niets is minder waar. Dit is het leefgebied van de lama’s, vicuña’s, vizcacha’s en flamingo’s.

En inderdaad, er lopen steeds meer harige vriendjes rond. Rustig kauwend op wat dorre grasjes kijken de lama’s ons aan. Vet cool staan ze daar. Minder cool zijn de elegante vicuña’s. Zij zijn wat verlegen en rennen dan ook meestal weg als er zo’n dreigende stofwolk aan komt rijden. Vervolgens komen we bij een meer. In de knalblauwe lucht boven ons klapwieken een paar roze vlekken. Flamingo’s! De prachtige vogels zoeken naar eten in het ondiepe zoute water. Hun roze verenkleed voegt nog een extra kleur toe aan het al spectaculaire kleurenpalet van de omgeving. Het is een adembenemend schouwspel.

We crossen weer verder en na nog een meer met flamingo’s gezien te hebben komen we op een zandvlakte met erg los en rul zand. Dan ineens stoppen we in the middle of nowhere. Althans, de motor scheidt ermee uit. Ai… ik krijg al allerlei waanbeelden voor me met overnachten met zijn vijven in een krappe jeep en dat met ruim 20 graden onder nul en een zandstorm… Alle vier worden we wat witjes om de neus, maar als Flavio dan met een brede glimlach ons wijst op de lege benzinetank slaken we een zucht van opluchting. Kennelijk is het hier de gewoonte om door te rijden totdat je werkelijk geen druppel benzine meer hebt… Flavio vult de tank met het extra vat benzine dat we op het dak hadden liggen en we vervolgen onze tour.

De volgende stop is bij een mooie rood gekleurde rotsenpartij opgeleukt met hier en daar een felgroene plakkaat mos dat tegen de bergwand lijkt te zijn geplakt. Deze mossen komen alleen voor boven de 4000 m en zijn erg grappig om te zien. Tussen de mossen en de rotsen bevinden zich nog een aantal harige beestjes; de vizcacha’s. Een soort kruising tussen een konijn en een kangoeroe.

Vervolgens passeren we het meesterstuk van de Siloli-woestijn; de door de wind uitgesleten Arbol de Piedra – ‘boom van steen’ – die zo het landschap lijkt te zijn ingesmeten. Het is een rotsformatie in de vorm van een boom waarvan de disproportionele grote kruin griezelig balanceert op een veel te klein voetstuk. Helaas begint het – net als gisteren – enorm te waaien en voordat de stenen boom beslist zich van zijn topzware kruintje te ontdoen nemen wij het hazenpad en gaan we op weg naar het laatste natuurwonder van vandaag; Laguna Colorada.

Als we arriveren bij het meer zou je denken dat er een ware veldslag heeft plaatsgevonden – het meer is nl. bloedrood gekleurd – maar de duizenden flamingo’s die rustig op zoek zijn naar voedsel en de lama’s die vredig grazen langs de oevers doen het tegendeel bewijzen. Waarom is het water dan toch zo rood? De Lonely Planet biedt hulp; het water van het meer kleurt rood door de aanwezigheid van rode sedimenten en pigmentatie van algen.

Het rode meer gevuld met de roze flamingo’s, de groen en bruin gekleurde bergen op de achtergrond, de strakblauwe lucht en de lama’s met gekleurde lintjes in de oren – dit om aan te geven wie de eigenaar is – vormen een prachtige setting. Het enige wat het genieten aardig vergalt is de extreem harde wind die ons bijna omver blaast, niet normaal. We zouden graag nog een eindje om dit schitterende meer lopen, maar de wind verandert langzaam maar zeker in een heuse storm en dus begeven we ons noodgedwongen richting hotel, dat op 4300 m hoogte aan het meer ligt.

Nou ja, hotel…

Wie van comfort houdt, is op de verkeerde plek beland. Verwarming kennen ze – uiteraard – ook hier niet. Althans niet in de paar muffe en donkere hokken die hier voor toeristen zijn gereserveerd. Een muts was al geen overbodige luxe, maar bij het avondeten gaan ook de handschoenen aan. Als het na een hete kop thee nog niet veel beter gesteld is met de warmtehuishouding is alleen het doorgezakte bed met versleten matras en de 20 kilo aan wollen dekens nog de enige optie om warm te worden. Hoop je dan.

Met thermokleding, fleecekleding daarover, muts op, chemische warmtezakjes – komen die dingen ook nog eens van pas – in mijn slaapzak en de 20 kilo aan wollen dekens hoop ik de nachtelijke kou het hoofd te bieden. Want loopt de temperatuur overdag in de zon op tot zo’n 20 graden, ‘s nachts daalt de temperatuur tot 20 graden onder nul…

We liggen met zijn vieren op een ijskoude slaapzaal. Ik lig onder 20 kilo aan muffe dekens op een haast-in-staat-van-ontbinding-verkerende doorgelegen matras. Ik luister naar de wind die het golfplaten dak doet klapperen en lig me ondertussen op te winden over mijn slaapzak die tegen -15 graden Celsius zou kunnen. Nou. Mijn slaapzak kan daar ook wel tegen bestand zijn, maar ik dus niet.

Het moge duidelijk zijn; ik kan de slaap niet vatten.


Zondag 27 september


Storm!

Op het belachelijke tijdstip van 5.00 uur zitten we in de jeep. Steenkoud – ook in de Toyota zit geen verwarming – en halfslapend banen we ons een weg door het extreme weer. Ja, extreem weer. De wind die gisteren al zo aanwezig was, is vandaag op zijn best; storm! Nee, hè. Beelden van IJsland komen weer boven. We vragen aan Flavio of dit normaal is hier. “Nou, het waait hier altijd wel, maar dit is abnormaal en het komt maar zo’n 3 keer per jaar voor.” En bedankt maar weer. Waarom hebben WIJ altijd van die uitzonderlijke weersomstandigheden…?

En het wordt natuurlijk nog spannender, want door al het stuivende zand zien we geen hand voor ogen. Ik heb geen idee hoe Flavio hier de weg – voorzover er al sprake is van een weg dan – kan vinden. En eigenlijk wil ik het niet weten ook. Al hoop ik stiekem dat onze supersonische Toyota voorzien is van de laatste technische snufjes zoals een ingebouwde GPS, maar… weinig kans.

Dat Flavio toch de weg weet te vinden in deze hel op aarde blijkt enige tijd later als we de op 4900 m hoogte gelegen geisers Sol de Mañana bereiken die als eerste op het programma staan. We zien een landschap dat niet zou misstaan in een scène van Lord of the Rings; het is nog steeds donker en de zon die nog moet opkomen kleurt de onderkant van de dreigende wolken die boven ons hangen rood. We zien de vele kokende modderpoelen die ons stomend en blurpend een kijkje geven in het binnenste van de aarde. Dat zien we. Vanuit de auto. Uitstappen is nl. geen optie; als je al heelhuids de auto uit komt zonder de deur te verliezen dan wordt je vervolgens vast wel een of andere kokende pot in gesmeten door meneer de wind. Jeuhhh.

Daarbij denk ik dat ik niet eens het knopje van de camera kan bedienen; mijn vingers zijn – ondanks mijn alpaca wollen wanten, kun je nagaan – bevroren, en mocht het toch heel misschien wel mogelijk zijn mijn vinger op het knopje te leggen, dan strandt het maken van een geslaagde foto toch vanwege mijn gebibber en geklappertand… Dus Martijn, als jij eens effe…. En zo geschiedt. Bikkel Martijn blijkt in staat te zijn om 1 minuut de snijdende en snoeiharde wind te trotseren, om dan met een paar foto’s en zonder bevroren ledematen weer terug naar de jeep te keren.

Onze volgende stop is bij een meer met vastgevroren flamingo’s – dat is normaal hier – waaraan een thermisch badje ligt dat ons voor het eerst in drie dagen een aangename gelegenheid voor een wasbeurt biedt. Echter, het is zo koud – het begint zelfs te sneeuwen – dat mijn hersencellen pertinent weigeren om mijn spieren aan te sturen mijn kleding uit te trekken. En dus druipen we af naar een gebouwtje waar ons ontbijt geserveerd zal worden.

Na de magen gevuld te hebben gaan we weer op pad. Het is nog steeds vroeg, maar het zonnetje is inmiddels al te voorschijn gekomen en doet de temperatuur in de Toyota gelukkig flink stijgen. Langzaam beginnen mijn ledematen weer wat te ontdooien en krijg ik weer wat kleur in mijn vingers, dus mijn alpaca wollen wanten belanden dan ook vrij snel op de achterbank.

Net toen we dachten dat het niet mooier kon, blijkt Moeder Aarde nog heel wat voor ons in petto te hebben. We naderen de Salvador Dali woestijn. Tussen Laguna Colorada en Laguna Verde ligt één van de mooiste woestijnen ter wereld. Een palet bomvol fascinerende pastelkleuren, grof gemengd en met ervaren hand op de horizon gekwakt. Hier en daar wat vicuña’s en lama’s in het landschap en verder niets dan een strakblauwe lucht en schitterende gekleurde bergen. Wat een gave tour is dit! Maar wat een kl*teweer. We kunnen de auto haast niet uitkomen van de wind die op de deuren slaat en eenmaal buiten de auto dan stuift het zand om je oren. Balen, enorm balen.

Maar het kan altijd erger. Tegen de tijd dat we bij Laguna Verde zijn – het groene meer aan de voet van de 5900 m hoge Licancabur vulkaan – zijn het geen zandkorrels meer die over ons heen stuiven, nee, de wind is hier zo krachtig dat de kiezels om onze oren vliegen!

$#@*^#

Met veel moeite wurmen we ons uit de auto om vervolgens snel weer terug te keren omdat wij, en nog erger, onze lenzen van de camera’s compleet gekiezelstraald worden. ARGGGGH! Het water in het meer is veranderd in een golfslagbad en aan de oever ligt een dikke laag opgewaaide schuim. De jeep schudt heen en weer en het zand en de kiezels tikken op de motorkap. Nee, dit is niet zoals we het bedoeld hadden.

We rijden dus maar weer door en al snel – het is pas 10.00 uur – komen we bij de grenspost van Bolivia. De grenspost bestaat uit een schuurtje in the middle of nowhere waar 2 beambten aan een lege tafel niets anders doen dan stempelen. Met een stempeltje rijker nemen we dan ook afscheid van Flavio – hij gaat de grens niet over – en we stappen in een luxe busje dat ons naar San Pedro de Atacama in Chili brengt.

Na al die armoede in Bolivia, de slechte onverharde wegen en de gammele bussen, vind ik Chili nu al een succes; er ligt nl. asfalt. Midden in de woestijn rijden we vrijwel direct na de grenspost van Bolivia op de gladste ondergrond sinds weken. Wat een verschil; vangrails, borden met de maximumsnelheid, strepen op de weg... Welkom in Chili!

Althans, bijna Chili dan. We rijden eerst nog zo’n 50 km door niemandsland; de grenspost van Chili is nl. pas in San Pedro, god weet waarom. Na een klein uurtje alleen maar afdalen – we komen van 5000 m af en San Pedro ligt op 2500 m hoogte – stopt de bus bij de grenspost. En dan begint het lange wachten. Er staan een hoop grote touringcars en een lange rij van mensen voor het douanegebouw. Iedereen en alle bagage wordt aan een controle onderworpen door de ‘fruitvliegjesbrigade.’ Het is nl. niet toegstaan om bederfelijke waren, zoals vleeswaren en fruit, Chili in te voeren en een heel leger aan ambtenaren ziet daar streng op toe.

Dan komt er ineens een mannetje vragen of er iemand naar Salta, Argentinië wil. Martijn en ik kijken elkaar aan. Doordat we geen jungletour of trek hebben gedaan in Bolivia hebben we wat tijd over en we hadden het er al over gehad evt. naar Salta te gaan voor een paar dagen. Salta ligt nl. in een uithoek van Argentinië en daar kom je niet zomaar, maar het ligt wel relatief dicht bij Bolivia en Chili. Salta... waarom ook niet? We vragen of we mee kunnen en als blijkt dat dat mogelijk is krijgen we een soort van voorkeursbehandeling. We mogen vóór de hele rij mensen onze paspoorten stempelen, waarbij we dan eerst de uitgaande stempel krijgen – Chili verlaten dus – als de douanebeambte erachter komt dat we voor het verlaten van Chili toch ook eerst Chili in moeten zijn gekomen. Hup, stempeltje van inkomst van Chili er alsnog bij en onze tassen mogen ook weer vóór de hele rij mensen door de scan. Om een lang verhaal kort te maken; binnen 5 minuten zitten wij – vies en smoezelig van drie dagen stofhappen – tussen allemaal nette Chilenen, Argentijnen en enkele fris gewassen toeristen in een superdeluxe bus van Pullman op weg naar Salta, Argentinië!

Wel een zware dag vandaag, want vannacht hebben we van de kou weinig geslapen en we zijn al vanaf 4.30 uur op. Vervolgens hebben we nu dus nog zo’n 10 uur bussen in het voorruitzicht. Maar ach, de bussen zijn luxe en we kunnen vast wel wat slaap inhalen onderweg.

DUS NIET…